Zon op
07:41
Zon onder
18:02
Nachtmodus
Foto: Anoeska van Slegtenhorst

Verenigingsecoloog Wim Knol: ‘Ik heb hier de meest boeiende tijd gehad’

Het schrijvershuisje is klaar, de hengels staan voor het grijpen en heel misschien – als het van zijn vriendin mag – schaft hij nog wel een jachthond aan: ecoloog Wim Knol gaat met pensioen. Na vijfenhalf jaar neemt hij afscheid van de Jagersvereniging. *

Ecologen die hun kennis en kunde op een heldere manier kunnen vertalen naar de beroepspraktijk van jagers zijn net zo zeldzaam als het Zuid-Veluws drijfsijsje. Eigenlijk zou een ecoloog als Wim Knol dan ook helemaal niet met pensioen moeten gaan! Er is nog zoveel te doen. Knol lacht. Niet zo’n volle, zorgeloze lach. Eerder een licht-melancholisch en schuldbewust grijnzen. ‘Ik ben nu 63. Het thuisfront is met pensioen en nu heb ik nog de gezondheid om van de komende jaren te kunnen genieten’, zegt hij. Dat neemt niet weg dat de keuze zwaar viel. ‘Ik heb hier de meest boeiende tijd in mijn ecologen-bestaan gehad.’ Vijfenhalf jaar geleden kwam hij bij de Jagersvereniging. Daarvoor werkte hij bij Natuurmonumenten en daarvoor als ecologisch onderzoeker bij Alterra in Wageningen. Eigenlijk is hij van oorsprong botanicus. Hij studeerde in Amsterdam af als botanisch analist en vervolgde zijn opleiding in Utrecht met biologie en chemie.

Effect

Van Natuurmonumenten naar de Jagersvereniging: dat is een opmerkelijke stap. ‘Eigenlijk viel dat wel mee’, zegt Knol. ‘Bij Natuurmonumenten was ik eindverantwoordelijk voor het Nationaal Park Veluwezoom. Daar werden jaarlijks 300 tot 500 stuks grofwild geschoten. Populatiebeheer was dus onderdeel van het beheer van het park. Het grootste verschil was dat Natuurmonumenten, destijds nog sterk het ‘nee, tenzij’-principe huldigde en jacht en schadebestrijding niet zag zitten. Dat gebeurde voornamelijk uit principiële overwegingen en voor de achterban, maar als ecoloog vind ik principiële redenen niet interessant. Ik wil weten wat het effect is in het veld van een bepaalde keuze in het beheer.
Wat is het effect van veel, weinig of helemaal geen beheer? Daarom voelde ik mij meteen thuis bij de jagers: onze leden staan zelf in het veld, dragen verantwoordelijkheid en zijn continu bezig met afweging als: laat ik die ree of haas lopen, mag die schade wat minder en kan die in de pot?’

 

‘Als ecoloog vind ik principiële redenen niet interessant. Ik wil weten wat het effect is in het veld van een bepaalde keuze in het beheer.’

Onder jagers

Hij is nooit gaan jagen. Deed wel de jachtcursus in de jaren tachtig en woonde een lezing bij van Siebren Siebenga, toenmalig bioloog van de Jagersvereniging. Knol: ‘Ik weet nog dat ik toen al dacht: wat een prachtig vak heeft die man. Het is toch wel bijzonder om decennia later op die plek terecht te komen. Als ecoloog is de combinatie tussen theorie en praktijk belangrijk. Jagers komen met ervaringen, wensen, opvattingen of vragen uit de praktijk. Voor een ecoloog vervolgens de taak om uit te zoeken hoe dat zit en aan te haken bij de wetenschappelijke kennis hierover.
Bijvoorbeeld als het gaat om het beheer van reeën: werkt het van Haaften-model nog steeds? Maar ook: hoe effectief is predatorenbeheer, en wat is de bijdrage van akkerranden voor biodiversiteit?
Hoe mijn collega-ecologen naar mij kijken? Aanvankelijk verbaasd. Actief beheren van populaties is voor veel ecologen gevoelig terrein en ze lopen er graag met een boog omheen. Persoonlijke opvattingen of gebrek aan kennis over de jacht spelen soms een rol in discussies. Dat maakt je als ecoloog of als beleidsmaker minder geloofwaardig.’

‘Mijn ecologenhart begint sneller te kloppen als ik zie hoe jagers tegenwoordig bezig zijn met akkerrandenbeheer, patrijzenprojecten en andere vormen van biotoopbeheer. Steeds vaker ook met andere vrijwilligers en organisaties. Het gemeenschappelijke belang is immers groter dan de verschillen.’

Intervisie

‘Jagers hebben wat je in het bedrijfsleven intervisie noemt. Ze nodigen elkaar spontaan uit in hun jachtvelden, gaan naar het buitenland om te jagen en delen die kennis en ervaringen. Dat is bijzonder. Zo hadden diverse jagers al ervaringen met wolven en grofwild toen de eerste wolf hier nog lang niet was gearriveerd. Dat geldt ook voor het effect van verwilderde huiskatten op de biodiversiteit. We hebben dat vier jaar geleden al goed gedocumenteerd. Pas nu zie je dat dit onderwerp maatschappelijk wordt opgepakt. Die 140 miljoen dode dieren per jaar komt rechtstreeks uit ons rapport!’

Hij vervolgt: ’Er is veel gebeurd in de afgelopen jaren. De vereniging heeft een enorme omslag gemaakt naar openheid en samenwerking en ik vind het fantastisch om te zien hoe jagers hierin mee zijn gegaan. Mijn ecologenhart begint sneller te kloppen als ik zie hoe jagers tegenwoordig bezig zijn met akkerrandenbeheer, patrijzenprojecten en andere vormen van biotoopbeheer. Steeds vaker ook met andere vrijwilligers en organisaties. Het gemeenschappelijke belang is immers groter dan de verschillen. Mede daardoor zijn we ook een serieuze gesprekspartner geworden. Ik merk dat aan de vragen die we vanuit het hele land krijgen, ook van niet-jagers. Mensen beseffen dat ze voor ecologische kennis en onderbouwing rond de jacht bij de Jagersvereniging terecht kunnen. Daarmee moeten ze dan maar zelf hun standpunten bepalen. Wij gaan daar niet over. We zijn recent partner geworden van het Deltaplan Biodiversiteit, mede-organisator van de Beheerdersdag en deelnemer in het Europese Waterwildnetwerk. Ik denk dat in dit soort samenwerkingen voor onze vereniging in de toekomst nationaal en internationaal nog heel veel kansen liggen.’

Verdieping

‘Voor mij persoonlijk heeft mijn tijd bij de jagers ook verdieping betekend. Ik ben als landschapsecoloog altijd breed georiënteerd geweest. Ik wist van alles een beetje. Het was heerlijk om mij hier te kunnen focussen op grofweg zo’n veertig algemene soorten waar jagers op de een of andere manier mee te maken hebben. Daar wilde ik dan alles van weten en dan stuit je soms op rare dingen, zoals met de ganzen. Nergens in de Europese vogelrichtlijn staat dat je ganzen in de winter niet zou mogen bejagen. En wat doen wij in Nederland? We bejagen ze midden in de periode dat ze broeden, met kuikens rondlopen of ruien. Daar snap ik dus werkelijk niets van. Verder heeft de decentralisatie van het natuurbeleid van Rijk naar provincies geleid tot een enorme bureaucratie en geldverspilling. Voor het hele natuurbeheer trouwens. Iedereen heeft daar last van. Ik zeg weleens: we hebben nu 12 soorten vossen in Nederland, in de ene provincie jaagt ‘ie wel op weidevogels en in de andere niet. In de ene provincie loopt ie maximaal één kilometer, en in de andere kilometers verder. Als ik mij niet vergis zie ik alweer een terugtrekkende beweging: met name in belangrijke dossiers als de Afrikaanse varkenspest en internationaal ganzenbeheer. Geleidelijk pakt de landelijke overheid de regie weer op.’

Datavoorziening

‘Natuurlijk zijn er ook projecten niet gelukt. Zo vind ik het nog steeds jammer dat we met z’n allen de datavoorziening nog onvoldoende op orde hebben. Laurens Hoedemaker en ik hebben daar destijds een bruikbaar plan voor gemaakt waarbij FBE’s data over afschot en tellingen per provincie zouden publiceren en wij als Jagersvereniging voor landelijk overzicht zouden zorgen. Dat is vanuit provincies tegengewerkt. Doodzonde, want er is grote behoefte aan eenduidige landelijke informatie: zowel voor beleid, onderzoek als richting publiek. Nu publiceert bijvoorbeeld de ene provincie per kalenderjaar en de ander per jachtseizoen. Tel dat maar eens bij elkaar op. Ik verwacht dat internationaal beleid in de toekomst veel bepalender zal gaan worden. Dat zie je nu al gebeuren met de wilde zwijnen, de wolf en het flyway-management voor ganzen. Dan wordt er van ons als Jagersvereniging verwacht dat we snel bruikbare data kunnen leveren. Ik heb zo het vermoeden dat dat nog weleens op de agenda zal komen te staan van mijn opvolger.’

*Dit interview verscheen in De Jager, december 2019. Tekst: Oswin Schneeweisz

Vacature teamleider ecologie

Standplaats Amersfoort, 40 uur
  • Delen:


Gerelateerd nieuws