Site Logo

Raad van State: aangeschoten haas doden met drijfstok niet verboden

  • Juridische zaken
  • 16 juli 2026

Vandaag heeft de Raad van State uitspraak gedaan in een zaak die was aangespannen tegen het college van gedeputeerde staten van Overijssel om handhavend op te treden tegen het doden van een haas met een slagwapen (drijfstok).

Op 1 december 2022 had de Stichting Animal Rights (SAR) een verzoek om handhaving gedaan op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb). Aanleiding was een filmpje dat door iemand was gemaakt van een drijver in een jachtveld, die een aangeschoten haas met een drijfstok in de nek slaat om het dier uit zijn lijden te verlossen.

Standpunt van Animal Rights

Volgens SAR is het gebruik van een slagwapen in de jacht illegaal en is de zorgplicht van de Wnb geschonden omdat het haas op deze manier onnodig heeft geleden. Het college heeft het verzoek afgewezen. Daartegen is SAR in beroep gegaan bij de rechtbank die heeft geoordeeld dat er geen sprake is geweest van een overtreding van artikel 3.21, eerste lid, van de Wnb. De rechtbank overwoog dat de drijfstok niet is gebruikt om de jacht mee uit te oefenen. Volgens oude jurisprudentie van de kantonrechter en de Hoge Raad valt het doden van aangeschoten wild niet onder ‘jagen’.

Rechtbank: geen sprake van jacht

Verder overwoog de rechtbank dat het een jachthouder is toegestaan in zijn veld wild te vangen en te doden als is voldaan aan de voorwaarden uit paragraaf 3.5 en 3.6 van de Wnb. De drijver heeft volgens de rechtbank voldoende rekening gehouden met de plicht dat eenieder die een in het wild levend dier doodt, voorkomt dat het onnodig lijdt.

Geen onnodig lijden veroorzaken

Het ging in deze zaak dus onder meer over de uitleg van het begrip ‘jacht’. De RvS overweegt dat onder jagen in de zin van de Jachtwet niet wordt verstaan het doden van reeds aangeschoten wild. Deze uitleg van ‘jacht’ in de Jachtwet is vervolgens ook opgenomen in de wettelijke kaders van de wetten die de Jachtwet hebben opgevolgd.

In dit geval was er geen sprake meer van ‘jacht’ op het haas (het was immers al beschoten en de jager verkeerde in de veronderstelling het dier ook dodelijk te hebben getroffen). Dit betekent dat de lijst met verboden middelen tijdens de jacht (artikel 3.21, eerste lid, van de Wnb) niet van toepassing is.

Van een algemeen verbod op het doden van dieren (artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wnb) is ook geen sprake geweest. Immers op grond van artikel 3.20, eerste lid, is het een jachthouder toegestaan in zijn jachtveld wild te vangen en te doden, en ingevolge het vierde lid, onder a, is die uitzondering van overeenkomstige toepassing voor degenen die zich in het gezelschap van de jachthouder bevinden. Daaronder kan ook een drijver worden verstaan, die op zijn beurt voorkomt dat het dier onnodig lijdt als hij direct na de jacht een aangeschoten dier aantreft en dit afmaakt.

Handelen vanuit dierenwelzijn

De Jagersvereniging kan zich goed voorstellen, dat het voor iemand die een jachtpartij vanaf de zijlijn bekijkt, geen prettig gezicht is als een aangeschoten dier uit zijn lijden verlost wordt door -in geval van een aangeschoten haas- een gerichte klap in de nek met de zijkant van de hand of door middel van een drijfstok. Dit is echter wel een effectieve methode om het dier onmiddellijk uit zijn lijden te verlossen. Het is immers niet wenselijk om te wachten tot de jager erbij geroepen is om alsdan met een schot het dier uit zijn lijden te verlossen.

Zorgvuldig en proportioneel handelen

In zijn algemeenheid geldt -en daar willen wij nadrukkelijk op wijzen- dat voor zover het vangen en doden van een dier in het kader van de wet is toegestaan, steeds een afweging gemaakt zal moeten worden of er andere of meer diervriendelijke methoden en middelen bestaan om het doel te bereiken. Zowel de jager als de drijver dienen in dit soort gevallen dus steeds af te wegen welke methode het meest diervriendelijk, effectief en veilig is om het dier zo snel mogelijk uit zijn lijden te verlossen.