Zon op
05:25
Zon onder
21:49
Nachtmodus

Jacht tijdens de tweede wereldoorlog #1

Nederland herdenkt de bevrijding. Een mooie aanleiding om, met een tweedelige serie, in het eigen oorlogsverleden te duiken. Werd er nog gejaagd tussen 1940 en 1945? Wie mochten er het veld in? En hoe functioneerde de Jagersvereniging in oorlogstijd? Koos Boer dook in de archieven en doet verslag.

10 mei 1940 vielen Duitse troepeneenheden zonder voorafgaande oorlogsverklaring ons land binnen. Direct na de doortocht van de Duitse voorhoeden werden in steden en dorpen verordeningen afgekondigd, die onder andere bepaalden dat alle wapens en munitie ingeleverd moesten worden. Deze maatregel was opgesteld door de Duitse legerstaf om activiteiten van franc-tireurs te voorkomen.

Franc-tireurs waren zogenaamde ‘vrijschutters’ (burgers zonder uniform, maar met wapens) waarmee de Duitsers gedurende de Eerste Wereldoorlog in de bezette gebieden van België en Frankrijk geconfronteerd werden.

Inbewaringneming wapens
De inlevering van jachtgeweren bij de gemeentehuizen of bij de hoofden van de plaatselijke politie verliep niet altijd vlekkeloos. Naast de via jachtakten en verloven geregistreerde wapens werden vele illegale wapens ingeleverd. Zo werden de verantwoordelijke ambtenaren geconfronteerd met een grote hoeveelheid handvuurwapens van allerlei kaliber en onduidelijke herkomst. Dikwijls kwam men er niet aan toe om de inbewaringneming op correcte wijze uit te voeren. Wapens werden in kelders op hopen gesmeten of in archiefkasten gestapeld. In een Utrechtse gemeente werden ze gewoonweg in het water gegooid om er later in deplorabele toestand uitgevist te worden. Er verdween ook een aantal kostbare jachtgeweren door vordering op last van ‘buitenlandse officieren’. Tekst loopt door onder de foto.

Een in het verenigingsblad niet nader genoemd gemeentehuis brandde geheel af, waarbij alle in bewaring gegeven wapens en munitie verloren gingen. Van een deugdelijke inbewaringneming was in een aantal gevallen dus geen sprake, hetgeen vrijwel onmiddellijk na die vijf chaotische oorlogsjaren tot procedures over schadeloosstelling leidde. Bijna alle jagers, gezagsgetrouw als ze waren, hadden hun wapens ingeleverd. Slechts een enkeling waagde het een, meestal niet geregistreerd geweer, te begraven of te verbergen.

Rauter
Omdat Hitler aanvankelijk ons land wilde opnemen in het Derde Rijk door de harten van de burgers te winnen voor het nationaal-socialisme werd het militaire bestuur vrij snel omgezet in een burgerlijk bestuur. Dit in tegenstelling tot het bezette België en Frankrijk. Zij bleven gedurende de gehele oorlog onder militair bestuur. Daar bleef de uitoefening van de jacht voor de bevolking verboden. Tekst loopt door onder de foto.

Hanns Albin Rauter (l.), de hoogste vertegenwoordiger van de SS in ons land tijdens de oorlog, inspecteert met Anton Mussert de landwacht. Rauter was gedurende de bezetting verantwoordelijk voor het jachtbeleid

Op 29 mei 1940 werd in de Ridderzaal in Den Haag door generaal Von Falkenhausen het bestuur over ons land overgedragen aan de rijkscommissaris, de Oostenrijker Arthur Seyss-Inquart. Uitvoering van door hem genomen besluiten werd in handen gelegd van de secretarissen-generaal van de verschillende departementen. Bij afwezigheid van de ministers (het kabinet was met het staatshoofd naar Londen gevlucht) was hij verantwoordelijk voor het correct functioneren van de overheidsorganen. Voor de openbare orde en veiligheid werd een andere Oostenrijker, Hanns Albin Rauter, tot Höhere SS-und Polizeiführer benoemd. Met het beleid van deze later zo gevreesde SS-er zou jagend Nederland in de komende jaren te maken krijgen.

Toestemming
Rauter stond in juli 1940 toe dat grondgebruikers in het bezit van een wapenvergunning het jachtgeweer terugkregen om schade aan gewassen te bestrijden. Over teruggave van vuurwapens en munitie aan jachtaktehouders werd op dat tijdstip nog overleg gevoerd met de Duitse overheid. Vervolgens werd eind juli bekend gemaakt dat ook aan jachtopzichters en boswachters, die waren aangesteld als onbezoldigd rijks- of gemeenteveldwachter, het jachtgeweer kon worden teruggegeven. Deze gang van zaken stuitte jagers tegen de borst. Zij beweerden als jachtaktehouders meer rechten te hebben.

In augustus bepaalde Rauter dat gedurende het jachtseizoen 1940-1941 per jachtaktehouder één geweer mocht worden verstrekt, mits men hiervoor toestemming verkreeg van het plaatselijke Einsatzkommando der Sicherheitspolizei und des Sicherheitsdienstes. Dit betekende in feite dat onderzoek gedaan werd naar de politieke betrouwbaarheid van de betreffende jager en diens houding ten opzichte van de bezetter. Tevens werd bepaald dat bij de inlevering toegebrachte schade aan vuurwapens tot 1 oktober verhaald kon worden bij de verantwoordelijke gemeente.
Voor door buitenlandse militairen gevorderde wapens diende men zich te wenden tot het
ministerie van Oorlog.

Verbolgen
Zo ging het jachtseizoen, dat duurde van 1 augustus 1940 tot 1 februari 1941, van start. De toestemming van de Sicherheitspolizei kwam voor sommige jagers pas toen het seizoen al voor een groot deel voorbij was en in diverse jachtvelden werd zonder voorafgaande aankondiging gejaagd door leden van de Duitse weermacht. Verbolgen Nederlandse jagers legden dit probleem voor aan het
departement van Justitie. Zij kregen het weinig zeggende antwoord dat slechts een beperkt aantal civiele personen geoorloofd is hier te jagen met inachtneming van de hier te lande geldende jachtwet. Tekst loopt door onder de foto.

Twee Kriegsmarine-officieren behorende tot de Kriegsmarineflak Batterie Vlieland-West in de duinen van Vlieland met geschoten wild

Om verdere conflicten te vermijden werd in november de Duitse jachtakte gelijk gesteld met de Nederlandse jachtakte. Toch had het er alle schijn van dat sommige Duitse militairen het als een recht van de overwinnaar beschouwden om vrijelijk te kunnen jagen waar ze maar wilden. Na beëindiging van het jachtseizoen bepaalde Rauter dat uiterlijk 10 april 1941 de geweren met bijbehorende munitie weer in bewaring moesten worden gegeven bij de plaatselijke politie. Uitgezonderd waren jachtopzieners en boswachters, tevens onbezoldigd rijks- of gemeenteveldwachters en personen die de jacht als hoofdberoep uitoefenden (zogenoemde broodjagers). Naast de jachtaktehouders dienden nu dus ook de vergunninghouders (grondgebruikers) hun wapens in te leveren.

Kantjesjagerij
In 1941 was de minimumgrootte van een jachtveld, overeenkomstig de jachtwet van 1923, niet vastgesteld. Door de bezetter werd overwogen hierin verandering aan te brengen, hetgeen door veel vaderlandse jachtaktehouders werd toegejuicht om zodoende een einde te maken aan kantjesjagerij. Voorgesteld werd dat een kleinwildjacht minimaal 50 hectare en een grofwildjacht 150 hectare moest bedragen.

Meer en meer werd de greep van de bezetter op het jachtbedrijf verstevigd. Op 24 mei 1941 werd bij besluit van de secretarissen-generaal bekend gemaakt dat een gemachtigde voor het boswezen, de houtvoorziening en de jacht was aangesteld. Tevens verzocht de secretaris-generaal van het departement van landbouw en visserij de hoofden van de plaatselijke politie niet over te gaan tot de uitreiking van jachtakten voor het tijdvak van 1 juli 1941 t/m 30 juni 1942.

Fusie
Ook de Algemeene Nederlandsche Jagersvereeniging ontkwam niet aan de dwingende hand van de bezettende macht. Op grond van een verordening van de Rijkscommissaris onthief de commissaris voor niet commerciële verenigingen en stichtingen op 9 juli 1941 het gehele bestuur uit zijn functie en belastte Mr. K.J.G. baron van Hardenbroek en jonkheer E. von Bönninghausen met de leiding. De Algemeene Nederlandsche Jagersvereeniging was op 15 maart 1941 tot stand gekomen door een fusie van Nimrod (Nederlands oudste jagersvereniging) en de Nederlandsche Jagers Vereeniging. In hoeverre de bezetter hier de hand in gehad heeft, is niet bekend. Gelet op het streven van de Duitse overheid naar gelijkschakeling van maatschappelijke organisaties lijkt dit niet onwaarschijnlijk.

Het commissariaat voor niet-commerciële verenigingen en stichtingen werd vanaf 28 februari 1941 geleid door de NSB’er H.W. Müller-Lehning, een in 1927 tot Nederlander genaturaliseerde Duitser. Dit commissariaat had als doel de systematische roof van kapitaal en goederen van verenigingen en stichtingen, vooral van instellingen die de bezetter onwelgevallig waren. Waren ze van Joodse origine, dan werden de tegoeden onmiddellijk overgemaakt aan de beruchte LippmannRosenthal bank. Ongeveer 4000 verenigingen zijn opgeheven en Müller-Lehning heeft zichzelf hierbij buitensporig verrijkt. In zijn geschriften typeert dr. L. de Jong hem daarom als een hyena. Kort na de Duitse capitulatie in mei 1945 pleegt Müller-Lehning zelfmoord om zich aan vervolging te onttrekken.

Oostfront
Baron van Hardenbroek was sinds lang voorzitter van de Nederlandsche Jagers Vereeniging. Uit het feit dat hij na de oorlog aangesteld werd tot jagermeester van koningin Juliana blijkt dat hij geen nationaalsocialistische sympathieën gekoesterd heeft. Egon von Bönninghausen was echter wel een fervent aanhanger van het nationaalsocialisme. Van 1926 tot 1 maart 1939 was hij burgemeester van Ootmarsum. Hij werd uit die functie oneervol ontslagen wegens pro-Duitse uitlatingen tijdens een jachtmaaltijd.

In maart 1940 werd hij lid van de NSB en op 18 september werd hij tot burgemeester van Tubbergen benoemd. Hij vertrok op 28 augustus 1942 in Duitse krijgsdienst naar het Oostfront en overleed aldaar op 26 februari 1943 in een oorlogshospitaal.

Lidmaatschap
In 1941 verordonneerde de bezetter dat voor het verkrijgen van een jachtakte het lidmaatschap van de Algemeene Nederlandsche Jagersvereeniging vereist is. Hierdoor nam het ledental van de vereniging sterk toe. Op 1 januari 1941 stonden 2314 leden ingeschreven en op 1 augustus van dat jaar waren het er 10.000! Wel werd in het verenigingsblad vermeld ‘dat er voor kantjesjagers in de vereniging geen plaats is’. Bij een aanklacht liep men het risico dat jachtakte en geweer worden ingenomen. Ook werd in datzelfde blad op 5 juli 1941 de wens geuit dat iedere jager een bewijs van theoretische en praktische bekwaamheid moest overleggen.

Voorwaarden
Voor het jachtseizoen 1941-1942 bepaalde Rauter dat per persoon 1 jachtgeweer en bijbehorende munitie kon worden teruggegeven aan personen die:
in het bezit zijn van een geldige grote jachtakte
aan kunnen tonen dat zij lid zijn van de Algemeene Nederlandsche Jagersvereeniging
in het bezit zijn van een verklaring van het Einsatzkommando der Sicherheitspolizei und SD

Bovendien wordt opgemerkt dat alleen die personen in aanmerking komen voor de teruggave van een jachtgeweer als aan hun betrouwbaarheid geen twijfel bestaat en voor misbruik van het aan hun toe te vertrouwen vuurwapen niet hoeft te worden gevreesd. Bij het uitreiken van kogelbuksen zal bijzondere voorzichtigheid worden betracht. Tegen omruiling van een teruggegeven hagelgeweer tegen een kogelbuks of omgekeerd voor een bepaalde tijd bestaat geen bezwaar.

Stroperij
Op 8 augustus 1941 ging op last van de rijkscommissaris een verordening uit om de sterk toegenomen stroperij met strikken een halt toe te roepen. Op het stropen met strikken kwam een hechtenis van ten hoogste zes maanden of een geldboete van maximaal drieduizend gulden te staan. Ook het voorhanden hebben, het aanbieden of afleveren van wildstrikken en het voorhanden
hebben en aanbieden van hiermee gevangen wild was strafbaar. Tevens werd in deze verordening opgenomen dat grofwild voortaan slechts met de kogel gedood mocht worden. Tekst loopt door onder de foto.

In 1941 werd in een verordening opgenomen dat reewild voortaan alleen met de kogel gedood mocht worden. Dit leidde tot onbegrip bij jagers die gewend waren reewild met hagel te schieten

Dit leidde tot onbegrip bij jagers die gewend waren reewild met hagel te schieten. Het verenigingsblad schreef: ‘Daar gebleken is, dat tot tal van jagers het verbod van schieten met hagel op reewild niet is doorgedrongen wordt er nogmaals op gewezen dat grofwild, waaronder het reewild ressorteert, slechts met den kogel mag worden geschoten. Het gebruik van de Brennekekogel uit de gladloop is geoorloofd, doch men schiete niet verder dan 35 pas, daar op grooter afstand de afwijking van dien aard is dat treffen van het doel hoogst onzeker is.

Duitse jachtwet
In diezelfde maand werd meegedeeld dat in jachtvelden, waar door leden van de Duitse weermacht en van het rijkscommissariaat werd gejaagd, de Duitse jachtwet van kracht was. Enige weken later publiceerde het verenigingsblad een bericht dat ‘formulieren ter beschikking staan om in aanmerking te komen voor een schadevergoeding indien het jachtveld door de bezettende macht gevorderd is.’ Aldus gaat het jachtseizoen 1941-1942 van start op dezelfde wijze als het jaar daarvoor: dus één geweer met bijbehorende munitie per jager, mits hij aan de gestelde voorwaarden voldoet.

Wel werd dit jachtseizoen door de bezetter sterk ingekort. Het eindigde al op 1 januari 1942. Geweren en munitie dienden van 2 tot 10 januari ingeleverd te worden bij de hoofden van de plaatselijke politie. Zij werden persoonlijk verantwoordelijk gesteld voor de in bewaring gegeven wapens en munitie. De maatregel had alleen betrekking op jachtgeweren en niet op flobertgeweren die voor de vogelbestrijding ter beschikking waren gesteld.

Jachtopzieners, boswachters en broodjagers in bezit van een jachtakte mochten hun wapen behouden. Het afscheid van het jachtgeweer bleek voor het overgrote deel van de jagers definitief. Gedurende het verdere verloop van de bezetting, en ook na de bevrijding, heeft het merendeel het vertrouwde wapen niet meer terug gezien. Verbergen had weinig zin, want door het gebruik ervan toe te staan gedurende de twee voorafgaande seizoenen was het de bezetter nauwkeurig bekend wie over een jachtwapen beschikte. Daar kwam bij dat op het in bezit hebben van wapens en munitie met de doodstraf werd gedreigd. Vanaf dat tijdstip was het voor bijna alle Nederlandse jagers gedaan met de jacht.

Bronnen:
Diverse afleveringen van ‘De Nederlandsche Jager’ van mei 1940 tot september 1944.
Meerdere delen van ‘Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog’ van Dr. L. de Jong.
‘Het Loo, de Oranjes en de jacht’ door Louise van Everdingen.
‘Luidhals op het warme spoor. Een eeuw Nederlandse Jagersvereniging’, september 2004, met bijdragen van Trix Broekmans.

  • Delen: