Jagersvereniging plaatst voor het zevende jaar op rij broedkorven bij Kasteel Amerongen
Lees artikel
In 2018 en 2019 heeft de Jagersvereniging een veldexperiment uitgevoerd op een proefveld waarin zaadmengsels voor akkerranden zijn getest. Dat leverde verrassende ervaringen op. Niet alleen de droge zomers, maar ook het wild gooide soms roet in het eten. Toch zijn er nuttige lessen te trekken uit deze experimenten.*
Steeds vaker worden akkers opgesierd met bloemrijke randen. Dat varieert van uitheemse zonnebloemen tot inheemse klaprozen en korenbloemen. Vaak is het een bont palet aan kleurrijke bloemen met als doel de biodiversiteit te vergroten. Niet alleen voor planten, maar ook voor insecten, vogels en wild. Steeds meer jagers raken betrokken bij de inzaai van akkerranden. Bijvoorbeeld in projecten voor patrijs of hamster, maar soms ook gewoon omdat jagers het mooi vinden en de kans zien een strookje in te zaaien. Maar wat zaai je nu in, hoe doe je dat en wat levert het eigenlijk op? Met die vraag is de Jagersvereniging in 2017 een veldexperiment gestart. Dit artikel geef een inkijk in de rapportage die eind 2019 verschijnt.
In het voorjaar van 2018 is, op een akker op zandgrond, gestart met het inzaaien van 40 verschillende commerciële zaadmengsels in zaaibedden van 5 x 15 meter. Na het ploegen en en perzikkruid de proefvelden soms compleet overwoekerden. Daarom is in het tweede jaar niet alleen in het voorjaar, maar ook in het najaar ingezaaid en zijn in het voorjaar verschillende grondbewerkingen toegepast (1 en 2 keer een vals zaaibed gemaakt) om het aandeel hinderlijk onkruid te verminderen. Merkwaardig genoeg bleek 2019 bijna net zo extreem droog te zijn als 2018. Hierdoor liep het experiment in 2019 ook net wat anders dan vooraf bedacht.
Van de 40 ingezaaide akkerrandmengsels is in 2018 per mengsel het opkomstpercentage bekeken. Gemiddeld kwam 34% van de soorten in het mengsel op. In 2019 was dat circa 35%. Maar bij inzaai in het najaar steeg dit tot 52% succes. Opvallend was dat bij de zeer soortenrijke mengsels (>20) de minste soorten tot bloei kwamen. Bij soortenarme mengsels (<10) kwamen de meeste soorten tot bloei, zowel bij najaarsinzaai als voorjaarsinzaai. Omdat soortenrijke mengsels ook vaak dure mengsels zijn, kun je bij de start van een akkerrand beter met een soortenarm mengsel beginnen met maximaal 10 soorten. Zodra de grond wat schraler wordt en de groei en concurrentie tussen soorten een stuk minder is, wordt het interessanter om soortenrijkere mengsels te proberen.
Sommige soorten doen het altijd wel goed. Vaak zijn dat soorten die snel kiemen, hoog opschieten en de concurrentie met andere planten makkelijk aan kunnen. Deze top-10 van best presterende soorten is gebaseerd op de 40 mengsels uit 2018 waarin 150 soorten voorkomen.
Bij soortenarme mengsels (<10) kwamen de meeste soorten tot bloei, zowel bij najaarsinzaai als voorjaarsinzaai
Iedereen die bekend is met de landbouw weet dat extensieve akkers met wintergranen een hele andere soortensamenstelling kennen dan akkers die in het voorjaar worden ingezaaid zoals bij bieten, aardappelen of mais. Die laatste akkers worden ook wel hakvruchtakkers genoemd. Ze zijn nooit zo bloemrijk als de akkers met wintergranen. Dat zagen we in onze experimenten ook haarfjn terug. Alle veldjes die in het najaar (niet te dik) waren ingezaaid met winterrogge hadden nauwelijks last van hardnekkig onkruid.
Ook winterrogge die ter controle niet was ingezaaid met bloemenzaden vertoonde allerlei interessante inheemse plantensoorten. Zoals akkerviooltje, voederwikke, akker-vergeet-menietje, windhalm, een enkele klaproos en korenbloem. Maar bovenal kwam er massaal geurende kamille op. Wij zijn op zandgrond fan geworden van najaarsinzaai op percelen met winterrogge als groenbemester. Of helemaal niet inzaaien met zaadmengsels omdat dit de inheemse plantensoorten ten goede komt. Het blijf immers een wat wonderlijk gezicht al die felgekleurde exotische soorten als zonnebloem, meisjesogen of roze cosmea. Voorjaarsinzaai kan soms leiden tot ‘mislukken’ van het zaai-experiment. Of zoals een inventariserende vrijwilliger opmerkte: “Er bloeit van alles, maar er bloeit bar weinig van wat er op mijn streeplijstje staat”. Het kan maar zo dat fazanten en patrijzen daar heel anders over denken.
Door vrijwilligers is in 2019 twee keer per maand op ieder mengsel een rondje insecten gedaan volgens een vast protocol. Daarbij zijn 3 insectengroepen op het oog geteld: dagvlinders, hommels en bijen, vliegen en zweefvliegen. Dat is een beperkte greep uit de vele duizenden insecten die in ons land voorkomen maar het zegt wel iets over de betekenis van akkerranden. Wat opvalt is dat er pas activiteit is na mei als er bloeiende planten staan. De afname van bloeiende planten in juli leidt direct tot het verdwijnen van insecten (Figuur 2).
Maar er komen nog meer insecten en andere ongewervelden in akkerranden voor. Om die te ontdekken zijn plakvallen en bodemvallen geplaatst. In het groeiseizoen van 2019 zijn er van juni t/m augustus, maandelijks bodem- en plakvallen ingezet om een beeld te krijgen van wat er rondvliegt en kruipt. Omdat er op de plakvallen heel veel insecten zitten en tellen te intensief is, worden die nog met een automatische scanmethode geteld. De resultaten daarvan zijn nog niet gereed. De bodemvallen laten voor drie groepen zien dat er op en in de bodem een rijk bodemleven is.
*Dit artikel verscheen in De Jager november 2019. Auteurs: Wim Knol en Erik van Til