Gedeputeerde Staten van de provincie Utrecht (hierna: GS) hebben een ontheffing aan de faunabeheereenheid verleend voor het doden van wilde zwijnen in de gehele provincie. Deze ontheffing is gestoeld op het vastgestelde provinciale faunabeheerplan. Daarin is opgenomen dat voor wilde zwijnen een nulstandbeleid wordt nagestreefd. Een nulstandbeleid is volgens GS onder andere noodzakelijk om (dreigende) schade te voorkomen en de efficiënte bestrijding van de Afrikaanse varkenspest.
Volgens de rechtbank Midden-Nederland[1] zou GS echter niet aannemelijk hebben gemaakt dat het nulstandsbeleid bij het beheer van wilde zwijnen nodig is en onvoldoende was onderbouwd. Ondermeer omdat GS in de ontheffing had verwezen naar schadegegevens veroorzaakt door wilde zwijnen uit andere provincies. Volgens de rechtbank was in die andere provincies sprake van een wezenlijk andere situatie.
GS zijn tegen deze uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gegaan en hebben betoogd dat zij zich (bij gebrek aan eigen schadegegevens) mogen baseren op schadegegevens uit andere provincies die reeds ervaringen hebben opgedaan met schade veroorzaakt door wilde zwijnen.
Het oordeel hoger beroep
De Afdeling heeft het hoger beroep van GS gegrond verklaard en oordeelt dat GS kan verwijzen naar opgetreden schade in situaties die vergelijkbaar zijn. GS kan verwijzen naar situaties in Gelderland, Limburg en Noord-Brabant. De ontheffing wordt immers juist op voorhand verleend om ernstige schade te voorkomen, die in dit geval nog niet is opgetreden. Volgens de Afdeling kan van GS niet worden gevergd dat het eerst het ontstaan van die schade afwacht. Ook kan niet worden verwacht dat theoretisch onderzoek wordt uitgevoerd naar mogelijkheden van het ontstaan van schade terwijl er specifieke gegevens zijn in andere vergelijkbare provincies. Wel moet GS motiveren waarom de situaties vergelijkbaar zijn met de provincie Utrecht.
Ten aanzien van het nulstandsbeleid overweegt de Afdeling dat een nulstandbeleid geen wettelijke basis heeft, maar op zichzelf ook niet in strijd is met de Wet natuurbescherming. De Afdeling is van mening dat GS de noodzaak voldoende heeft onderbouwd met onder andere het rapport “Wilde zwijnen op weg in Nederland”[2], verwijzing naar de schadecijfers uit andere provincies en het rapport “Het provinciale nulstandsbeleid wilde zwijnen in Utrecht”.
De Afdeling heeft tevens beoordeeld of wordt voldaan aan de andere vereisten. Allereerst of er geen andere bevredigende oplossing is, hetgeen volgens de Afdeling ook voldoende is onderbouwd. De Afdeling gaat hier niet met veel woorden op in. Het standpunt van GS wordt herhaald, namelijk dat er geen andere oplossing is om nulstand te bereiken dan afschot en dat er nadelen kleven aan afrasteren. De Afdeling oordeelt vervolgens dat GS hiermee concreet heeft gemotiveerd waarom er geen andere bevredigende oplossing is.
Belangrijkste overwegingen
Het belang van de uitspraak van de Afdeling zit hem vooral in de navolgende rechtsoverwegingen waarbij we de overwegingen die in dit verband van belang worden geacht dik gedrukt hebben, te weten:
6.4. Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het voor het college mogelijk is om een concrete dreiging van ernstige schade aannemelijk te maken met verwijzing naar opgetreden schade in situaties die vergelijkbaar zijn. Het college kan daartoe verwijzen naar situaties in Gelderland en Limburg, omdat zich daar aangewezen leefgebieden voor wilde zwijnen bevinden, en de situatie in Noord-Brabant, waar inmiddels ook wilde zwijnen voorkomen. Bovendien wordt de ontheffing op voorhand verleend om ernstige schade te voorkomen, die in dit geval nog niet is opgetreden. Deze ontheffing is juist gericht op het voorkomen dat die ernstige schade in de provincie Utrecht ontstaat. Van het college kan niet worden gevergd dat het eerst het ontstaan van die schade afwacht. Evenmin kan van haar worden geëist dat het een theoretisch onderzoek laat uitvoeren naar de mogelijkheden van het ontstaan van schade binnen de grenzen van de provincie, terwijl er specifieke gegevens beschikbaar zijn van schade veroorzaakt door wilde zwijnen in andere delen van Nederland waar de omstandigheden vergelijkbaar zijn. Wel moet het college motiveren waarom de situaties vergelijkbaar zijn met die in de provincie Utrecht.
7. Een nulstandbeleid voor wilde zwijnen buiten de aangewezen leefgebieden is, gelet op de mogelijke gevolgen voor gewassen, verkeersveiligheid, natuur en de efficiëntere bestrijding van de AVP, op zichzelf niet in strijd met de Wnb.
7.5. De Afdeling is van oordeel dat het college aldus aannemelijk heeft gemaakt dat wanneer er groepen wilde zwijnen in de provincie Utrecht leven daar een concrete dreiging van ernstige schade is en de verkeersveiligheid in gevaar komt door aanrijdingen met wilde zwijnen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het college gelet op de specifieke kenmerken van het wilde zwijn, zoals het aanpassingsvermogen en de hoge reproductie, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het ook noodzakelijk is om de eerste wilde zwijnen in de provincie te beheren. Het college heeft daarbij kunnen verwijzen naar de ervaringen in Gelderland, Limburg en Noord-Brabant, omdat de leefomstandigheden voor wilde zwijnen daar grotendeels vergelijkbaar zijn. Uit de rapporten volgt verder dat ook het beheer van een kleine populatie lastig is en een hoge tijdsinspanning vergt, waardoor er een grote kans bestaat dat de populatie zich – net zoals in de provincie Noord-Brabant – exponentieel zal uitbreiden en de schade door wilde zwijnen zal toenemen, evenals het aantal aanrijdingen met wilde zwijnen. Daarbij neemt de Afdeling het betoog van het college in aanmerking dat de kans op aanrijding in de provincie Utrecht hoger zou zijn, vanwege de hogere wegendichtheid in de Utrechtse Heuvelrug, waar ook meer mensen wonen. Het college heeft gezien het vorenstaande voldoende aannemelijk gemaakt dat er een noodzaak bestaat voor het handhaven van een nulstand voor wilde zwijnen.
8.2. Er bestaat geen reden om het betoog van het college met betrekking tot de AVP buiten beschouwing te laten. In het Faunabeheerplan, op grond waarvan de ontheffing is aangevraagd, staat reeds vermeld dat het wilde zwijn een verspreidingsbron is van de AVP. Wanneer ziektes uitbreken bij gehouden varkens of wilde zwijnen in de provincie Utrecht, kan dit gevolgen hebben voor de wilde zwijnenpopulatie en de varkenshouderij in geheel Midden-Nederland. Uit het besluit van 31 augustus 2020 volgt dat de ontheffing mede met het oog op dit belang is verleend.
11.4. Het college heeft hiermee concreet gemotiveerd waarom er geen andere bevredigende oplossing is. De stichtingen hebben niet onderbouwd waarom deze motivering onvoldoende is.
12. Nu de gunstige staat van instandhouding van het wilde zwijn niet ter discussie staat, heeft het college – gelet op hetgeen hiervoor is overwogen – de ontheffing mogen verlenen.
Wat betekent deze uitspraak voor de praktijk?
Deze uitspraak maakt duidelijk dat een nulstandbeleid juridisch houdbaar is, mits de noodzaak ervan zorgvuldig wordt onderbouwd met recente (schade)gegevens uit andere, vergelijkbare provincies met vergelijkbare situaties en met relevante literatuur en dito onderzoek.
Daarnaast is het van belang dat de Afdeling de mogelijkheid erkent om ter onderbouwing van ontheffingen/omgevingsvergunningen gebruik kan worden gemaakt van (schade)gegevens uit andere provincies.
Dit kan misschien een oplossing zijn voor provincies om het gebrek aan schadehistorie op te vullen met betrekking tot de Nationaal aangewezen soorten/vergunningvrije gevallen. Ten aanzien van die soorten zie je in veel provincies dat er geen faunabeheerplan voorhanden is vanwege het gebrek aan schadegegevens. Zonder provinciaal goedgekeurd faunabeheerplan is uitvoering van de vroegere “landelijke vrijstelling” niet mogelijk. De provincie Gelderland heeft al in een veel eerder stadium deze oplossingsrichting in de praktijk gebracht bij de goedkeuring van haar faunabeheerplan vrijgestelde soorten. Nu de hoogste rechter in Nederland deze mogelijkheid erkent, volgen er wellicht meerdere provincies.
Al met al dus goed nieuws. Hierdoor krijgen faunabeheereenheden en provincies meer mogelijkheden om schades te onderbouwen. Wellicht zal hierdoor het aantal procedures op dit vlak verminderen en de mogelijkheid bevorderen om waar nodig schade concreet en effectief te bestrijden. En natuurlijk zal in dat geval ook betekenen dat WBE’s en jagers in het land duidelijkheid hebben ten aanzien van schadebestrijding veroorzaakt door de landelijk aangewezen soorten.
[1] ABRvS 15 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2097.
[2] Rechtbank Midden-Nederland, 24 februari 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:665.
[3] Wilde zwijnen op weg in Nederland, A. Guldemond, W. Dijkman, D. Keuper, CLM Onderzoek en Advies, maart 2015.