Zon op
06:33
Zon onder
20:51
Nachtmodus
Foto: Michael Migos

Zeug op de korrel? – Gratis artikel uit De Jager, september 2018

Effectief zwartwildpopulaties omlaag brengen

In de huidige bejagingspraktijk ligt de nadruk bij het zwartwildafschot op de biggenklasse. Volgens de mening van drie Duitse wildbiologen leidt dit niet altijd tot de gewenste bestandsreductie en kan dit zelfs contraproductief zijn.

Vertaling en bewerking: Koos Boer en Berend te Hennepe

Bron: Auf die Dicken, jung vor alt oder alt vor jung?, Dr. Ulf Hohmann, Dr. Oliver Keuling en Dr. Joachim Rock, Wild und Hund 12/2018.

In nagenoeg heel Europa zijn de dichtheden van wilde zwijnen nog nooit zo hoog geweest. Stijgende afschotcijfers illustreren dit fenomeen. Naast de bejagingsmethode is een terugkerende vraag in welke leeftijdsklasse moet worden ingegrepen om de zwijnenstand effectief te reduceren. Moet het afschot zich voornamelijk concentreren op de biggen of is het schieten van meerjarige zeugen effectiever?

Ingrijpen in de biggenklasse
In samenhang met de oprukkende Afrikaanse varkenspest wordt de laatste tijd weer veelvuldig gewezen op de noodzaak om met name in te grijpen in de biggenklasse. Reden: biggen zorgen voor de meeste aanwas omdat ze getalsmatig in de meerderheid zijn. Daarom moet deze leeftijdsklasse intensief bejaagd worden. Alleen dan kan een zwartwildbestand effectief en duurzaam omlaag worden gebracht. In een populatiemodel (Bieber & Ruf; 2005) werd berekend dat 70 tot 80 procent van de biggen moet worden geschoten om de stand te doen afnemen. Omgekeerd liet het rekenmodel zien dat het volledige afschot van de oudere zeugen geen blijvende bestandsreductie oplevert als tegelijkertijd de biggen ongemoeid worden gelaten. Op grond van dit onderzoek hanteert men in veel Duitse deelstaten de richtlijn om het leeuwendeel van het afschot in de biggenklasse te verrichten.

Praktijk?
De vraag is echter of een dergelijk hoog afschotpercentage in de jachtpraktijk uitvoerbaar is. Is dat niet het geval, dan zien de uitkomsten er heel anders uit. Stel dat in een bepaald gebied 170 varkens voorkomen. Op basis van de doorsnee leeftijdsopbouw bestaat 40% uit één- of meerjarige dieren (circa 70 stuks) en 60% uit biggen (circa 100 stuks). Het gewenste afschotpercentage van biggen (70%) leidt tot een afschot van 70 stuks. Het totale afschot bestaat dan uit circa 102 stuks dieren bestaan (zie figuur 1, voorbeeld A).

Maar komen deze cijfers overeen met de praktijk? Alle onderzoeken naar sterfte van wilde zwijnen in Europa (inclusief jacht) komen uit op een lager sterftepercentage. De jaarlijkse sterfte onder een bepaalde jaargang ligt zelden boven de 55%, ongeacht de leeftijdsklasse (al ligt het sterftecijfer onder meerjarige varkens soms lager). In bejaagde populaties vormt de jacht altijd de belangrijkste doodsoorzaak. Slechts zelden sterven dieren aan ziekte of ouderdom. Als onder deze omstandigheden 70% van het afschot uit biggen bestaat, zijn in ons voorbeeld niet meer dan 55 biggen op het tableau gekomen. Het totale tableau valt dan natuurlijk ook lager uit: in totaal 80 varkens (zie figuur 1, voorbeeld B). Voor de bejagingspraktijk betekent dit dat de focus op het afschot van biggen niet doelmatig is en vaak juist contraproductief werkt.

Vruchtbaarheid
Zoals bekend worden zeugen vruchtbaarder naarmate leeftijd en gewicht toenemen. Gemiddeld is het aandeel van een vrouwelijk big aan de populatiegroei voor het komende jaar het kleinst (minste kans op geslachtsrijpheid x kleinste worpgrootte). De grootste bijdrage levert een meerjarige zeug (grootste kans op geslachtsrijpheid x grootste worpgrootte). Omdat biggen niet selectief op geslacht bejaagd kunnen worden, bestaat het afschot voor circa 50% uit mannelijke dieren, waardoor de bijdrage van de biggenklasse aan de populatiegroei nog eens met de  helft afneemt. Maar biggen hebben toch een langer leven voor zich, zodat een vrouwelijk big op termijn een grotere bijdrage levert aan de populatiegroei dan een meerjarige zeug? Hoewel dit plausibel klinkt, gaat deze redenering voorbij aan het feit dat oudere zeugen betere overlevingskansen hebben dan jonge. Statistisch gezien is bijna de helft van alle oudere zeugen na twee jaar nog in leven. Van de vrouwelijke biggen bereikt slechts een op de vijf het tweede levensjaar. Op basis van levensverwachting en worpgrootte is de verwachting dat een meerjarige zeug tijdens haar leven tweemaal zoveel nakomelingen ter wereld brengt dan een vrouwelijk big (zie figuur 2).

Tekst loopt door onder figuur

Naarmate leeftijd en gewicht van vrouwelijk zwartwild toenemen, neemt ook de vruchtbaarheid toe. Meerjarige zeugen leveren daarom de grootste bijdrage aan de populatiegroei.

Voedselaanbod
Als er zich een kans voordoet om een niet-zogende zeug te schieten, dan is dat in het kader van het verminderen van het reproductiepotentieel van een populatie dan ook doeltreffender dan het afschot van een big. Met andere woorden, als de biggen niet meer afhankelijk zijn van het moederdier geldt de regel: eerst de zeug en dan de biggen. Overigens is de vrees dat het wegnemen van een zeug uit een rotte de vruchtbaarheid en dus de reproductie van biggen zou verhogen weinig aannemelijk. Volgens de huidige wetenschappelijke inzichten wordt het voortplantingsvermogen van een zwartwildpopulatie veel meer bepaald door het voedselaanbod dan door de sociale structuur.

  • Delen:


Gerelateerd nieuws