Zon op
05:26
Zon onder
21:47
Nachtmodus

Tronie – Column van Oswin Schneeweisz uit De Jager #5

Soms kom je als jager de fraaiste stijlbloempjes tegen. Neem deze uit een recent artikel in het Eindhovens Dagblad. ‘Als hij niet zijn R8 Professional Succes jachtgeweer van een paar duizend euro om zijn schouder had hangen, zou je niet geloven dat hij jager was. Joost Ploos van Amstel ziet er zachtaardig uit. Hij kijkt vriendelijk uit de glazen van zijn montuurloze bril en vindt zichzelf eerder een natuurliefhebber.’ Hulde voor de journalist die dit staaltje van omgekeerde negatieve framing op zijn conto mag schrijven. Hier worden op verdekte wijze een paar zwaar kaliber vooroordelen afgevuurd.

Vooroordeel 1: jacht is een tijdverdrijf voor rijke stinkerds. Onzin, echter de suggestie wordt gewekt. Waarom zou de schrijver anders zijn lezers laten weten dat er aan de schouder van deze jager niet direct een instapmodel kogelgeweer hangt? Vooroordeel 2: Jagers zijn ongure types. Als de zin ‘Joost Ploos van Amstel ziet er zachtaardig uit’ op zichzelf had gestaan was er niets aan het handje geweest, maar nu we weten dat de schrijver niet kan geloven dat de jager jager is, wordt het plots een taalkundige nekklem. Het gaat niet om wat gezegd wordt, maar om wat niet gezegd wordt. Namelijk: alle jagers zien er kwaadaardig en onvriendelijk uit.

Ik moest meteen denken aan wijlen Gerrit Komrij die jaren geleden in de NRC voor een meer directe aanpak koos. Komrij schreef: ‘De jacht vervult me met weerzin. Het is niet eens het jagen zelf, ben ik bang, het zijn de mensen die het doen. Mijn weerzin wordt elke keer heviger aangewakkerd als ik de kop van een verwoede jager zie. De koppen van jagers deugen niet. Jagers hebben geen mensengezichten. Ze hebben tronies. Ze hebben smoelen. Ik heb een hekel aan deze misgeboorten. Ik weet dat ik gelijk heb, want ik ben in goed gezelschap. Ook de dieren hebben er een hekel aan. Als ze rondom het dorp weer eens losbranden, de mannetjesputters met hun oerinstinct, de after shave-Tarzans die van moeder een halve dag alleen op stap mogen, duiken de vissen onder, slaan de honden op de vlucht, schieten de katten weg in de tochtreten. De hele natuur siddert.’

Geef mij maar de literaire vuistslag van Komrij. Die maakt dat ik elke ochtend nog even in de spiegel kijk om te checken of mijn tronie nog wel tronie genoeg is. Elke ochtend zoek ik voor de spiegel weer de bevestiging dat die smoel slechts het resultaat kan zijn van een misgeboorte. Welk een onmens staart mij aan? Verderf en valsheid schuilen in de onmetelijke leegte van die ogen. Ja, pas als ik genoeg van mijn duivelse inborst genoten heb, pak ik het geweer uit de kluis en wandel vrolijk fluitend het groene veld in. De grote filosoof Immanuel Kant zei het immers al: ‘alleen de afdaling in de hel van zelfkennis bereidt de weg naar goddelijkheid’.

  • Delen: