Zon op
05:32
Zon onder
21:39
Nachtmodus
Foto: Anoeska van Slegtenhorst

Toezicht in het buitengebied, interview voorzitters KNvVN en Jagersvereniging – De Jager #12 2018

Toezicht in het buitengebied vraagt om gezond boerenverstand

De Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging en de Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Natuurtoezicht (KNVvN) intensiveren hun samenwerking met als doel meer en beter toezicht in het buitengebied. Vanwaar die intentie en hoe zien ze dat voor zich? Die vragen leggen we voor aan de voorzitters van beide verenigingen: Willem Urlings en Rolf Overdiep.

Tekst: Eimer Wieldraaijer (dit interview verscheen in De Jager #12 uit 2018)

Behalve dat ze een lans breken voor meer en beter toezicht in het buitengebied, hebben Willem Urlings en Rolf Overdiep nog een overeenkomst. Ze blijken te zijn opgegroeid in dezelfde straat in Breda. Nadien maakte Overdiep carrière bij de politie in de forensische opsporing, terwijl Urlings namens het CDA burgemeester was in verschillende gemeenten. Maar terug naar de reden van dit gesprek: een impuls geven aan het natuurtoezicht in Nederland.

(Tekst loopt door onder de foto, (c) Eimer Wieldraaijer)

Toezicht in het buitengebied, samenwerking jagers en BOA's

Urlings (links) en Overdiep: ‘Het is in ons aller belang het buitengebied weer beschikbaar en veilig te maken voor iedereen.’

Waarom trekken Jagersvereniging en KNVvN gezamenlijk op?

Urlings: ‘De taakstelling van onze organisaties lopen in diverse opzichten parallel. Beide partijen zien het belang van toezicht in het buitengebied. De leden van de Jagersvereniging zijn, zeker op het gebied van de fauna, de ogen en de oren voor het natuurtoezicht. Traditioneel zijn er al heel lang contacten tussen onze organisaties en via dit interview benadrukken we die sterke relatie eens te meer.’

Overdiep: ‘Namens de KNVvN heb ik contact gezocht met Laurens Hoedemaker, directeur van de Jagersvereniging. Ik raakte erg gecharmeerd van zijn gedrevenheid op het groene vlak. Ook als het gaat om het natuurtoezicht. Vroeger was dat toezicht erg goed georganiseerd in Nederland, maar door allerlei veranderingen is het de laatste jaren niet altijd even stevig overeind gebleven. In mijn eigen provincie hoor je zelfs de kreet “Brabant staat in brand”. Daarom hebben de Jagersvereniging en wij gezegd: wij pakken samen de handschoen op. Niet alleen voor onszelf, maar voor de samenleving als geheel. Het is immers in ons aller belang het buitengebied weer beschikbaar en veilig te maken voor iedereen. Of, om het pregnanter te verwoorden: het kan toch niet zo zijn dat de criminaliteit daar de dienst uitmaakt?’

In het verleden kende ons land een aanzienlijk netwerk van groene BOA’S (buitengewoon opsporingsambtenaren) die werkzaam waren voor WBE’s. Deze goed getrainde en volledig uitgeruste BOA’S werden alom gewaardeerd en functioneerden als belangrijke ondersteuning voor de veldpolitie. In 1993 werd, bij de omvorming van de politie tot regiopolitie, het ‘detachement’ veldpolitie echter kind van de rekening, en met het badwater weggegooid. Het netwerk en de veldkennis die bij de veldpolitie aanwezig waren, werden weggesaneerd. Het gat dat viel, werd niet ingevuld door de regiopolitie. Zitten we daardoor nu met de gebakken peren?

Urlings: ‘Als burgemeester heb ik dat proces in 1993 nadrukkelijk meegemaakt. Er heerste toen het gevoel in de samenleving dat de politie verkeerde prioriteiten stelde. Chargerend gezegd vond men dat de politie altijd met het buitengebied bezig was, terwijl de binnensteden in brand stonden. Er heerste de opvatting dat de politie beter achter drugscriminelen aan kon zitten dan achter stropers. Na 1993 is het aantal jachtopzichters gigantisch teruggelopen. Als je nu stelt: we hebben het kind met het badwater weggegooid, is dat een prognose achteraf. Dat neemt niet weg dat het besef is gegroeid dat een duurzame vitale natuur voor ons welzijn van veel grotere betekenis is dan we ons toen realiseerden. Daar komt bij dat criminelen de laatste tijd het buitengebied hebben ontdekt als dumpplaats. Met als gevolg dat er een breed gedeeld besef is ontstaan dat we beter met de natuur moeten omgaan. Iets waar de Jagersvereniging en de KNVvN elkaar nadrukkelijk in vinden.’

Overdiep: ‘Ook ik heb de jaren die Urlings beschrijft van zeer nabij meegemaakt. Midden jaren negentig ging het inderdaad mis in de steden. Daardoor is de aandacht voor de natuur, het toezicht en de veiligheid afgenomen, maar nu is het zaak het buitengebied weer die plek in de belangstelling te geven die het verdient. We hebben de natuur nodig. Die geeft ons licht, ruimte, ontspanning. Natuur is er voor iedereen, en jacht maakt daar deel van uit. Een verantwoord natuurbeheer vergt een goede jacht, die adequaat aangestuurd wordt.’

Vanwege de geschetste omslag in de jaren negentig kwamen veel WBE-BOA’S in het luchtledige terecht. Gelijktijdig werden er door de overheid steeds meer eisen gesteld aan de verplichte opleidingen van de groene BOA’S en werden de werkgevers van de groene BOA’S steeds minder gefaciliteerd. Er kwamen fikse kostenverhogingen voor de WBE’s en dientengevolge nam het aantal groene WBE-BOA’S fors af.

Overdiep: ‘Dat beeld herken ik wel. Ook bureaus gingen dicht, en door dat alles ontstond de terugloop die u schetst.’

Urlings
: ‘Soms worden toezicht en opsporing door elkaar gehaald. Er werden in die tijd in het buitengebied niet zoveel strafbare feiten gepleegd, en dus had de opsporing geen prioriteit. Met als gevolg dat men zich afvroeg: waarom zou je nog zoveel toezicht moeten houden? Nu zien we, dankzij het overgebleven toezicht, dat er wel degelijk aanleiding is in dat buitengebied ogen en oren te hebben. We zien nu dat er meer strafbare feiten worden gepleegd, en dus is er opnieuw alle aanleiding voor opsporing. Anders gezegd: de basis ligt in ordelijk toezicht. Maar nu constateren we tot onze schrik dat we nauwelijks nog oren en ogen hebben.’

Overdiep: ‘En het niveau en de kwaliteit van het toezicht is in de loop der jaren achteruitgegaan. Daarom ontwikkelen we nieuwe opleidingen die aansluiten op de groene-BOA-praktijk en die de toezichthouder beter uitrusten en faciliteren. Onder meer door de politie, net als vroeger, nauwer bij het toezicht te betrekken. Ook bieden we BOA-werkgevers aan de screening van kandidaat-toezichthouders te doen. Waar we naar streven, is dat het niveau van de natuurtoezichthouder in Maastricht hetzelfde is als van die op Rottumerplaat, en dat diens herkenbaarheid aanzienlijk groter is dan nu. Ik zie deze hele operatie als een gezamenlijke actie van natuurtoezichthouders, jagers, burgers en politie.’

Groene BOA, toezicht in het buitengebied

Urlings: ‘Aan de onderkant moet je een breed waarneemperspectief hebben. Daar heb je jagers, boeren en burgers voor nodig. Waarnemen is immers het begin van opsporen. Vervolgens kunnen toezichthouders, zoals boswachters, de problemen analyseren en ten slotte zijn er opsporingsambtenaren om het probleem aan te pakken.’

Herkent de overheid het probleem ook?

Overdiep: ‘De intenties binnen bepaalde provincies zijn goed, maar ook daar zie je verschillen. Vroeger had de natuurtoezichthouder een landelijke aanstelling, nu moet hij 36 convenanten bij zich hebben als hij op meerdere plekken ondersteuning wil geven. Dat leidt tot rompslomp. Daarnaast moet je de mannen en vrouwen in het uniform weer het gevoel geven: wij doen ertoe, wij worden serieus genomen.’

Urlings: ‘Om het piramidaal uit te drukken: aan de onderkant moet je een breed waarneemperspectief hebben. Daar heb je jagers, boeren en burgers voor nodig. Waarnemen is immers het begin van opsporen. Vervolgens kunnen toezichthouders, zoals boswachters, de problemen analyseren en ten slotte zijn er opsporingsambtenaren om het probleem aan te pakken. Concreet: een boswachter van Staatsbosbeheer of Natuurmonumenten moet contact hebben met zijn omgeving en zijn buren. Daaraan schort het nu nog te vaak.’

Overdiep
: ‘Goed luisteren naar je omgeving. Daar kun je heel veel mee doen, maar dan moet je die informatie ook kwijt kunnen. Daarover zijn we in gesprek met de politie.’

Hoe urgent is het probleem?

Overdiep: ‘Omdat het toezicht in het buitengebied minder is dan in de steden, worden we in de natuur geconfronteerd met vuurwapengeweld en dumping van chemisch afval. Verder is er de stroperij, die niet meer zo “onschuldig” is als vroeger. In het zware circuit gaat men ’s nachts met honden op pad en wordt er om grof geld gegokt wiens hond de meeste hazen pakt. Met dat soort criminele praktijken moet je niet de gemiddelde toezichthouder belasten. In dat verband onderscheid ik drie lagen van oplopende zwaarte: de gastheer, de middenlaag en de bovenlaag, maar alle drie moeten elkaar wel voeden met de benodigde informatie.’

Urlings: ‘Voor het min of meer pastorale beeld van stroperij is er in Nederland tegenwoordig simpelweg te weinig wild. Maar het ernstige misbruik van het buitengebied neemt toe.’

Overdiep
: ‘Overigens hoef je, zoals ik al aangaf, bij toezicht niet alleen te denken aan het bestrijden van crimineel gedrag. Ook de hondenuitlater die wordt aangesproken op het los laten lopen van zijn hond op een plek waar dat niet is toegestaan, gaat soms onacceptabel tekeer tegen de toezichthouder. Om die reden krijgt ook het vergroten van weerbaarheid een plek in diens opleiding. Dit alles vanuit het idee: iedereen mag van het buitengebied gebruikmaken, maar wel op de wijze zoals we dat met elkaar hebben afgesproken.’

Wat is de insteek van de beide organisaties?

Urlings: ‘Waar we vanuit de Jagersvereniging op inzetten, is bij de leden te benadrukken hoe ongelooflijk belangrijk het is samen te werken met onze partners, zoals Staatsbosbeheer. Als voorbeeld wijs ik op de Afrikaanse varkenspest, die in België is geconstateerd. Stel dat die Nederland bereikt, dan hebben we een enorm probleem. Hoe eerder je dat weet, hoe beter je kunt voorkomen dat het uitwaaiert. Om dat vast te stellen, heb je de mensen uit het buitengebied keihard nodig.’

Overdiep: ‘Elkaar informeren en adequaat handelen, dat is de crux. Wie de informatie aanreikt, maakt mij niet uit, zolang diegene zijn informatie maar kwijt kan. En laten we daarna niet ellenlang gaan overleggen, maar korte slagen maken.’

Urlings: ‘In de opleiding van jagers besteden we daar ook aandacht aan. Willen we het buitengebied redden en duurzaam houden, een gebied waar voldoende flora en fauna is, dan zullen we – nogmaals – de handen ineen moeten slaan met onze partners, want ieder voor zich levert niks op.’

Overdiep
: ‘Wij zien het als onze missie om iedereen weer bewust te maken van het belang van natuurtoezicht. Een boom die wordt omgezaagd, belt zelf niet op om dit feit te melden. Die taak ligt er voor ons allemaal.’

Urlings
: ‘In deze samenleving organiseren we langzamerhand onze eigen verkokering. Met die verkokering gooien we het gezonde boerenverstand, weg. Terwijl beheer van het buitengebied juist vraagt om boerenverstand. Een jager die constateert dat er in zijn veld weinig hazen zitten, zet zijn geweer opzij. Maar als er wel veel hazen zijn, treedt hij op in het kader van beheer. Kijk ook naar de discussie over de Oostvaardersplassen. Als we van tevoren afspraken hadden gemaakt over de draagkracht van dat gebied, hadden we al die onzindiscussies van nu niet hoeven te voeren.’

Overdiep
: ‘De Oostvaardersplassen zijn een zwarte bladzijde uit onze natuurgeschiedenis. Een uitwas waar iedereen last van heeft. Iets wat nooit meer mag gebeuren. Hoe komt dat? Omdat we aan de voorkant niet met onze gezonde groene verstand hebben afgesproken wat verstandig was om te doen. Ik zeg dan ook: gebruik je boerenverstand en luister naar de bevindingen van de natuurtoezichthouder.’

  • Delen:


Gerelateerd nieuws