temp.
Zon op
08:42
Zon onder
16:21
Nachtmodus
Foto: Robert-Jan Asselsbergs

Stress bij hazen – De Jager, november 2018

Martijn Weterings onderzocht stress bij hazen

‘Waar hazen veel stress ervaren, worden minder jongen geboren’

De eerste anti-stresscursus voor hazen moet nog uitgevonden worden. Toch ervaren ook hazen stress. Niet door overmatige werkdruk, mobiele telefoons en al die andere zaken die het moderne mensenbestaan onder druk zetten. Hazen ervaren vooral stress door predatoren, de intensieve landbouw en allerlei menselijke activiteiten in de natuur. Martijn Weterings promoveerde recent op de effecten van stress door predatoren.

Tekst: Oswin Schneeweisz

In de mensenwereld staat stress hoog op het lijstje van ontwrichtende, soms zelfs dodelijke aandoeningen. Een teveel aan stress leidt uiteindelijk tot een scala aan lichamelijke klachten of een burn out: een toestand van continue lichamelijke en geestelijke uitputting.

Voorzichtiger
De eerste haas met een burn out heeft ecoloog Martijn Weterings nog niet gevonden, maar zijn promotieonderzoek laat zien dat ook bij hazen stress mogelijk leidt tot fysiologische veranderingen en specifieke gedragskenmerken. Zo zal een haas die leeft in een veld waar veel predatoren aanwezig zijn zich voorzichtiger gaan gedragen en minder actief worden.

‘Het is bij mensen niet anders’, zegt Weterings. ‘Wij hebben onszelf aangeleerd om eerst links en rechts te kijken voordat we de straat oversteken, omdat je anders de kans loopt om aangereden te worden. Een haas wordt ook voorzichtiger en zal zich, na een stressmoment, niet alleen drukken maar ook de rest van de dag minder actief zijn.’

(tekst loopt door onder foto (c) Pieter Huisman)

Weterings: ‘Eigenlijk is het onderzoek gedurende de vijfeneenhalf jaar dat ik er, naast mijn werk als HBO-docent in Leeuwarden, mee bezig was alleen maar actueler geworden.’

Spreeuwenonderzoek
Aanleiding voor zijn promotieonderzoek was het spreeuwenonderzoek van de Canadese biologe Liana Zannete. Zij ontdekte dat spreeuwen minder nakomelingen voortbrengen als ze langdurig blootgesteld worden aan het geluid van predatoren. Weterings: ‘Ik vond dat een buitengewoon interessant gegeven en vroeg me af of dat ook voor andere dieren zou gelden, bijvoorbeeld voor een in Nederland veel voorkomende soort als het haas.’

Met de komst van de wolf naar ons land ontbreekt het ook niet aan actualiteit? Weterings: ‘Klopt, de wolf zou weleens een behoorlijke stressfactor kunnen zijn. Niet alleen voor hazen, maar voor alle dieren in bos en veld. Er zijn meer stressfactoren die allemaal nog steeds actueel zijn: toenemende recreatiedruk, het verdwijnen van leefruimte en dekking, grootschalige infrastructuur, loslopende honden, verwilderde katten, vossen en andere roofdieren, mountainbikers et cetera. Eigenlijk is het onderzoek gedurende de vijfeneenhalf jaar dat ik er, naast mijn werk als HBO-docent in Leeuwarden, mee bezig was alleen maar actueler geworden.’

Energiehonger
Wat vindt Weterings zelf de meest opzienbarende conclusies? ‘Dat een hoge mate van chronische stress niet alleen van invloed is op het gedrag, maar ook op het aantal nakomelingen. In gebieden waar hazen veel stress ervaren zullen minder jonge hazen geboren worden.’ Maar hoe meet je stress? Weterings: Ik heb in zeer beperkte mate naar de fysiologische verschijnselen (zoals afmeting en gewicht van organen en lichaamsdelen) gekeken. Als ecoloog ben ik vooral geïnteresseerd in het gedrag in het veld en de interactie met predatoren. Wel hebben we gekeken naar bepaalde littekens op de baarmoeder (de zogenaamde placental scars). Des te minder jongen, des te minder littekens. Door dat gegeven te relateren aan de predatiedruk konden we die conclusie, trekken.’ Weterings ontwikkelde ook een manier om de predatiedruk te meten: hij noemt het ’energiehonger’. Weterings: ‘Elk dier heeft een bepaalde hoeveelheid energie nodig en dat is afhankelijk van gewicht en lichaamsgrootte. Een bunzing is vergeleken met een vos vrij klein en hij heeft dus minder energiehonger. Des te kleiner de energiehonger in een veld, des te minder stress zal een haas ervaren.’

Landschapsstress
‘Net als bij mensen bestaat ook bij hazen stress in vele soorten en maten. Voedselstress kan ontstaan in gebieden waar weinig goede nutriënten (voedingsstoffen; red.) aanwezig zijn, zoals op zandgronden. Stress door predatiedruk is een belangrijke factor, maar daarnaast bestaat er ook nog zoiets als landschapsstress. Dat is stress die voortkomt uit veranderingen in het landschap, zoals minder dekking of meer verstoring. Je kunt je voorstellen dat een haas in een open landschap gemakkelijk opgemerkt wordt door predatoren en dus continu in een chronische stresssituatie zit.’ Dat roept de vraag op of het Hollandse haas gestrester is dan bijvoorbeeld zijn Duitse soortgenoten? Weterings: Dat is een moeilijke vraag en zou zeker interessant zijn om eens te onderzoeken. Ik denk dat het Nederlandse haas gestrester is, aangezien ons landschap veel meer is aangetast en dat heeft weer geleid tot meer generalisten. Dat zijn predatoren die overal kunnen leven en alles eten. De samenstelling van de predator-community is dus ook van groot belang op de mate van stress die een haas ervaart.’

(tekst loopt door onder foto (c) Anthony van der Loo)

Weterings richt zich wederom tot de jagers. ‘Het zou buitengewoon interessant zijn als we een beter beeld zouden krijgen van hoe predatorgemeenschappen in bepaalde gebieden zijn samengesteld.’

Jagers
Weterings riep in 2013 de hulp in van jagers voor zijn onderzoek. Hij bezocht 13 jachtvelden. De verzamelde hazen werden in het lab doorgemeten. Daarbij werd onder andere gekeken naar het lichaamsgewicht, de leeftijd, de lengte van de oren en de lengte van de poten. Ook werd er sectie verricht, werden dieren gecontroleerd op ziekten en werden de baarmoeders onderzocht. Nu richt hij zich wederom tot de jagers. Weterings: ‘Het zou buitengewoon interessant zijn als we een beter beeld zouden krijgen van hoe predatorgemeenschappen in bepaalde gebieden zijn samengesteld. Jagers weten vaak wel ongeveer hoeveel vossen er in hun veld rondlopen, maar hoe zit het met die andere roofdieren: marters, dassen, roofvogels, bunzing, wezels et cetera? Het zou prachtig zijn als jagers, net zoals ze jaarlijks de reeën tellen, ook de roofdieren in kaart gaan brengen. Dat soort data zou nuttig zijn voor verder onderzoek naar dieren en stress.’

Telgegevens
Het is ook een stuk lastiger. Een ree laat zich nog wel zien, maar hoe zou je bunzingen en marters moeten tellen? Weterings: ‘Hierbij zouden we schattingen van het aantal roofdieren goed kunnen gebruiken. Schattingen gebaseerd op informatie die een jager heeft omdat hij nu eenmaal veel in het veld is en veel ziet en hoort. De telgegevens die ik voor mijn onderzoek kreeg van de jagers waren ook schattingen. Om de schijn van subjectiviteit te vermijden heb ik die telgegevens naast de data uit de Verspreidingsatlas van roofdieren in Nederland gelegd en wat bleek? De cijfers kwamen redelijk goed overeen. Alleen in de kleinere gebieden hadden jagers soms de neiging het aantal predatoren iets te overschatten. Juist nu de wolf in aantocht is, zouden dat soort telgegevens buitengewoon bruikbare informatie kunnen opleveren. ’

(tekst loopt door onder foto – (c) Jesse Koning)

‘We namen de proef op de som door langere tijd een uurtje per dag met een aangelijnde hond door een veld te lopen. We zagen dat de hazen meteen de dichte en hogere dekking opzochten en ook de rest van de dag veel minder actief waren.’

Proef op de som
Er is niet veel nodig om stress te veroorzaken onder een hazenpopulatie. Een aangelijnde hond bleek al genoeg. Weterings: ‘We namen de proef op de som door langere tijd een uurtje per dag met een aangelijnde hond door een veld te lopen. We zagen dat de hazen meteen de dichte en hogere dekking opzochten en ook de rest van de dag veel minder actief waren.’ Is de jager die regelmatig naar zijn hoogzit wandelt dan ook een stressfactor? Weterings: ‘Ik vermoed van wel, want elke verstoring levert stress op. Maar grote effecten zien we pas wanneer er sprake is van chronische stress. In een veld waar veel gejaagd wordt blijven de hazen over het algemeen kleiner. We hebben echter geen effect gevonden van jachtdruk op de reproductie van hazen. In gebieden waar gejaagd wordt, zullen net zoveel hazen geboren worden als in gebieden waar niet gejaagd wordt.’

Hazenstand stabiliseert
De hazenstand is geen vast gegeven. Jaren van afkalvende populaties worden opgevolgd door jaren waarin de populatie juist weer groeit. Toch lijkt er de laatste jaren sprake van afnemende aantallen, maar Weterings constateert dat aan die trend een eind lijkt te komen. Weterings: ‘Voor 1800 waren er in Nederland helemaal niet veel hazen. Woeste gronden maakten een groot deel van het landschap uit en die zijn als habitat voor hazen ongeschikt. Na 1800, met een sterkere toename van de bevolking en de kleinschalige landbouw is het haas in Nederland waarschijnlijk echt gaan pieken. Met de introductie van kunstmest en intensieve landbouw zette een dalende trend in. Na vele jaren waarin het alsmaar slechter ging met het haas lijkt de stand zich nu te stabiliseren. De dalende trend lijkt gekeerd. Dat heeft vermoedelijk met een combinatie van factoren te maken. De trend van hoge aantallen vossen neemt langzaam af en dat heeft een positief effect op de aanwas van veel verschillende diersoorten. Ook lijkt de stand van andere predatoren als blauwe reiger en verwilderde katten iets in aantallen af te nemen. Daarnaast zie je de laatste tijd steeds meer patrijzenakkers, overhoekjes en dergelijke ontstaan. Dergelijke kleinschalige biotoopmaatregelen hebben een gunstig effect op de hazenstand.’

Ingrijpen
Leiden dergelijke biotoopmaatregelen ook tot minder stress? Weterings: ‘Ja, dat geloof ik wel. Meer dekking leidt tot minder stress, ook al maken predatoren daar vaak handig gebruik van. Maar ingrijpen op de populatie predatoren is maatwerk en hangt erg af van de situatie. Predatie hoort erbij, en voor prooisoorten waar het goed mee gaat is dat ook geen probleem. Het zijn de bedreigde prooisoorten met kleine populaties waar ingrijpen vaak gunstig is voor bescherming van de soort. Men moet zich dan wel bedenken dat de samenstelling van de predator-community daardoor kan veranderen.’

  • Delen:


Gerelateerd nieuws