Zon op
07:20
Zon onder
19:45
Nachtmodus

Brandgans

Brandganzen

Naamgeving

Brandgans (Branta leucopsis), E: Barnacle Goose, D: Weiswangengans, F: Bernache nonette.

Uiterlijk

Lengte: ± 58 tot 70 cm
Spanwijdte: ± 120 tot 140 cm

Biotoop

Brandganzen foerageren vrijwel alleen daar waar kort gras beschikbaar is. Opgroeigebieden worden dan ook altijd begraasd door rundvee of halfwilde grazers. Dit komt waarschijnlijk door de afwisseling aan eilanden die als broedhabitat dienst doen terwijl er gefoerageerd kan worden in de omliggende kort-begraasde graslanden, die zeer eiwitrijk zijn. Broedplaatsen bevinden zich grotendeels op eilanden, maar in Nederland is dit minder strikt dan in eveneens recent gekoloniseerde broedgebieden in Estland en Zweden. Op eilanden zijn ganzen veilig voor landpredatoren zoals de vos. Landpredatoren zijn in Nederland minder van belang dan in deze noordelijke gebieden. Brandganzen die op het land broeden (Noord- en Zuid-Holland) zaten veelal in weilanden tegen slootranden aan. Nesten van brandganzen liggen, net als bij de grauwe gans, in besloten vegetatie (riet, struweel, moerasbos), maar worden daarnaast ook op kale (zand) grond aangetroffen.

Leefwijze en gedrag

In de noordelijke delta bevinden brandganzen zich tijdens de broedtijd (april-juni), in tegenstelling tot grauwe ganzen, vrijwel niet op binnendijks gelegen gras- of akkerlanden. Het korte gras, waaruit het dieet van de brandgans bestaat, is namelijk voldoende voorhanden op de buitendijks gelegen schorren. Brandganzen hebben opgroeigebieden die over het algemeen verder van de broedplaatsen verwijderd liggen dan die van grauwe ganzen. Ondanks dat het grootste percentage in 2005 binnen 200 meter lag van het broedhabitat, kon incidenteel het opgroeihabitat meer dan 10 kilometer van het broedhabitat af liggen. Jongen zijn namelijk snel na het uitkomen van de eieren al in staat om zwemmend vele kilometers af te leggen.

Niet-broedende brandganzen worden in de noordelijke delta vrijwel alleen waargenomen op buitendijks gelegen graslanden nabij water. Deze graslanden waren allen begraasd door halfwilde grazers. Pas als de rui is voltooid verplaatsen de vogels zich ook naar binnendijkse terreinen.

Omdat brandganzen in het deltagebied zich tijdens de rui in juli nabij open water bevinden en foerageren op korte vegetatie zijn zij, in tegenstelling tot grauwe ganzen, goed zichtbaar. In polders en binnenwateren kunnen de ganzen echter ook in het riet of andere lange vegetatie zitten, waardoor zij plaatselijk minder goed zichtbaar zijn.

Ruiperiode

Half juni ‐ begin augustus

Broedwijze

De brandgans is een koloniebroeder. In de kolonie op de Beeninger Slikken in het deltagebied lagen de nesten zelfs niet verder dan 2 meter van elkaar, waardoor er een hogere weerbaarheid tegenover potentiële predatoren ontstaat.

Voortplanting

Aantal legsels: 1 per jaar
Aantal eieren: 4-6 wit- of geelachtige eieren
Broedduur: 24-26 dagen
Broedperiode: begin april ‐ eind juni
Brandganzen broeden in Nederland vanaf half april tot ver in juni. In het Deltagebied vindt de eerste eileg plaats omstreeks 10/11 april en de laatste eieren worden gelegd eind mei . Opmerkelijk aan de brandganzen in het deltagebied is de vroege start en de uitgestrekte periode van de broedcyclus. De in Nederland broedende brandganzen blijken ruim een maand eerder te beginnen met de eileg dan hun soortgenoten in de Arctische broedgebieden

Voedsel

Het voedsel van de brandgans bestaat uit gras, twijgjes, knoppen en zaden; ’s winters soms ook zeekreeftjes en weekdieren. Brandganzen kunnen met hun korte snavel de vegetatie extreem kort afgrazen, waardoor er voor grote grazers nauwelijks meer gras beschikbaar is.

Bejaging

Een aantal provincies verleent ter voorkoming van schade aan landbouwgewassen ontheffingen voor het doden van overzomerende brandganzen. In het seizoen 2005/06 werden 854 brandganzen geschoten, in 2007/08 bedroeg dat aantal 2382 stuks. Het merendeel van het afschot vindt plaats in Zuid-Holland, waar ook de grootste aantallen broedvogels voorkomen.

Voorkomen

Brandganzen komen pas vrij recent als broedvogel voor in Nederland. Het aantal broedparen bedraagt momenteel 9000- 26.0000 broedparen. In de zomer 2014 werden circa 36.000 brandganzen geteld. De aantallen in de winter kunnen oplopen tot meer dan 700.000 exemplaren, vooral in Noord-Nederland en in Zeeland.

Literatuur

de Boer, V, & H.P. van der Jeugd (2007) Zomerganzen in het Deltagebied in 2007. SOVON monitoringrapport 2007-02. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Beek-Ubbergen.
van Dorst (2011). Teldata en methode voor overzomerende ganzen in Nederland. Wageningen University, Stagerapport, Wageningen.
van der Jeugd, H.P., Arisz, J. & M. Schouten (2006b). Broedbiologie van brandganzen op de Hellegatsplaten in 2005 en verspreiding buiten het broedseizoen. Uitgegeven in eigen beheer, Groningen
• van der Jeugd H.P. et al., (2006a) Overzomerende ganzen in Nederland- grenzen aan de groei. Sovon-onderzoeksrapport 200602. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Beek-Ubbergen.
Lensink, R. & J. de Fouw (2010) Faunabeheerplan zomerganzen Zuid-Holland. Regioplan Noordelijke Delta. Rapport nr. 09-122. Provincie Zuid-Holland & FBE Zuid-Holland.
Lensink et al. (2010) Faunabeheerplan zomerganzen Zuid-Holland. Hoofddocument bij zeven regioplannen. Rapportnr 09-115. Provincie Zuid-Holland & FBE Zuid-Holland.
• Meininger, P.L. (2002) Brandgans Branta Leucopsis. p. 106-107 in Sovon (red.) Atlas van de Nederlandse broedvogels. De Nederlandse fauna, dl V. Naturalis/KNNV, Leiden, Utrecht.
• Montizaan, M.G.E. & Siebenga, S. (2010). Wbe-Databank – populatie- en afschotcijfers. Nieuwsbrief 8. Amersfoort, Koninklijke Nederlandse Jagers Vereniging.
• Šťastný, K. (1991). Watervogels. Lisse, Rebo Productions.
Tolkamp, W. & J.A. Guldemond (2007a) Monitoring Zomerganzen. Plan van Aanpak voor een jaarlijkse integrale telling in Zuid-Holland. CLM Onderzoek en Advies, Culemborg

  • Delen: