Zon op
08:44
Zon onder
16:21
Nachtmodus

Voorlopig standpunt over duurzaam reewildbeheer

Inleiding

In dit voorlopige standpunt zet de Jagersvereniging uiteen wat de voordelen van plaatsing van het ree op de wildlijst zijn, wat de eventuele risico’s zijn en op welke wijze deze gemitigeerd kunnen worden. Ook wordt aangegeven hoe het duurzaam planmatig beheer van reewild vormgegeven zou kunnen worden wanneer deze soort op de nationale wildlijst geplaatst wordt. De notitie is bedoeld als stuk ter gedachtevorming van de Jagersvereniging in overleg met deskundigen op het gebied van reewildbeheer in Nederland. De hier uitgewerkte denklijn is ook van toepassing op de andere grofwildsoorten edelhert, damhert en wild zwijn.

Aanleiding

In het kader van de Aanvullingswet Natuur bij de Omgevingswet pleit de Jagersvereniging voor uitbreiding van de Nationale Wildlijst met de diersoorten grauwe gans, kolgans, smient, edelhert, damhert, wild zwijn en ree. Door deze wildsoorten in beginsel onder het jachtregime te brengen worden de administratieve lasten en belemmerende regeldruk voor jagers en WBE’s verminderd, wordt een onrechtmatige inperking van het jachtrecht hersteld, en wordt per saldo het doelmatig en duurzaam beheer van wild in Nederland versterkt. Het planmatig beheer van grofwild, c.q. reewild onder het jachtregime vraagt om nadenken over toekomstig beleid, om denken buiten de huidige kaders, om kennis van zaken en om de wil dit in de praktijk te brengen.

Historische context

De populatie reewild is in Nederland toegenomen van circa 5.000 dieren rond 1950 tot meer dan 100.000 op dit moment. Gelijktijdig is ook de verspreiding sterk toegenomen en komt het ree momenteel in vrijwel heel Nederland voor. Deze toename van reewild is toe te schrijven aan de toename van geschikt biotoop, aanpassing van het ree aan het landschap, zorgvuldig beheer door jagers en het niet beheren van reeën in een aantal gebieden van terreinbeherende organisaties. Met de komst van de Flora- en faunawet en de opvolgende Wet natuurbescherming is populatiebeheer steeds complexer geworden. Ook daardoor zijn de aantallen reeën verder toegenomen, alsook hun effecten op de omgeving en op elkaar.

Huidige situatie

De formele grondslagen voor het huidige beheer van het ree zijn momenteel populatiebeheer en schadepreventie. Het meest in het oog springende schade-risico is de verkeersveiligheid op de weg en op het spoor, waar jaarlijks bijna 10.000 aanrijdingen met voornamelijk reewild gerapporteerd worden. De schade die reewild kan toebrengen in de tuinbouw, fruit- en bloementeelt, boomkwekerij en bosbouw komt de laatste jaren nadrukkelijker in beeld, hoewel daar nog geen grote economische schades gerapporteerd worden. Schade door reewild aan andere wettelijke belangen wordt nauwelijks gerapporteerd vanwege de hoge eigen risico’s en meldingsbijdragen, of omdat er geen vergoedingen tegenover staan. Dat geldt ook voor schade aan flora en fauna, diergezondheid en dierenwelzijn. Ook deze schades zijn gecorreleerd aan de dichtheid van de reewildpopulatie.

Het beheer om de reewildpopulatie in balans te brengen en te houden met de ecologische en maatschappelijke draagkracht van haar leefgebied is vanouds de drijfveer geweest voor bejaging van het ree, evenals de bejaging om het ree duurzaam te benutten als voedselbron. Recente ervaringen met damherten in de Amsterdamse Waterleidingduinen en edelherten in het Oostvaardersplassen-gebied laten zien dat niet beheren in het sterk geürbaniseerde Nederland leidt tot ongewenste diergezondheids- en welzijnsaspecten, nadelige effecten op de biodiversiteit, imagoschade voor terreinbeherende organisaties en maatschappelijke discussie.

Het bejagen van wildsoorten in het kader van de huidige systematiek van populatiebeheer en schadepreventie stelt specifieke, hoge eisen aan de onderbouwing van nut en noodzaak in het faunabeheerplan. Deze zijn een-op-een overgenomen uit de Europese Vogelrichtlijn. Het is opmerkelijk dat deze regels uit een Richtlijn die Europees gezien enkel voor vogels geldt, in de Nederlandse wetgeving onverkort van toepassing zijn verklaard op zoogdieren. In die Richtlijn zijn ze bovendien opgenomen als vereisten voor ingrepen in aanvulling op het reguliere jachtregime.

Volgens de Vogelrichtlijn is jacht, mits uitgevoerd volgens de beginselen van wise use, de basisvorm van beheer. Lidstaten kunnen bij uitzondering daarop aanvullende beheermaatregelen treffen (Art. 9 VRL). Dientengevolge is strikt omschreven onder welke voorwaarden er nog meer dan reguliere bejaging mag plaatsvinden. Bij de inwerkingtreding van de Flora- en faunawet is er echter niet voor gekozen om het ree te bejagen onder het jachtregime, maar is voor het ree het uitzonderingsregime tot regel verheven. Helaas zijn de strikte voorwaarden voor dat uitzonderingsregime onverkort overgenomen, waardoor de onderbouwing van nut en noodzaak van reewildbeheer in faunabeheerplannen onnodig complex is.

Faunabeheerplannen en de daaruit volgende ontheffingen voor reewildbeheer worden steeds vaker stelselmatig aangevochten. Het gevolg daarvan is dat enerzijds steeds meer onderzoek ter onderbouwing van het faunabeheerplan nodig is en dat steeds meer informatie ter onderbouwing van het faunabeheerplan gevraagd wordt. Zo is recent door de provincies onderzoek gestart naar de vermindering van aanrijdingen van reewild door aangepast afschot en één specifiek verjaagmiddel (virtueel hekwerk). Dit onderzoek gaat vier jaar duren en kost honderdduizenden euro’s overheidsgeld.

Anderzijds zien we dat provincies kiezen om het beheer van reewild te baseren op die grondslagen die men het gemakkelijkst kan onderbouwen, of waarvan men verwacht dat die het minst vatbaar zijn voor bezwaarprocedures. Draagkrachtmodellen zoals het Van Haaften-model worden geactualiseerd of herzien, om ook van toepassing te kunnen zijn op bijvoorbeeld veldreeën. Die aanpassingen verschillen per provincie en zo ontstaat de situatie dat voor dezelfde wildsoort per provincie een verschillend beoordelingskader gehanteerd wordt, met wisselende eisen aan de onderbouwing van het faunabeheerplan. Daarmee dreigt reewildbeheer een politiek afwegingskader te krijgen, hetgeen zeer onwenselijk is en bij andere vormen van natuurbeheer niet voorkomt.

Verkeersveiligheid lijkt de gemakkelijkste grondslag voor de noodzaak van beheer, omdat uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat het aantal aanrijdingen gecorreleerd is aan de wilddichtheid. Recente publicaties over de zogenaamde hotspot-benadering leiden bij enkele provinciale overheden echter weer tot twijfel aan de legitimiteit van vlakdekkend beheer, ook al is deze hotspot-benadering op geen enkele wijze wetenschappelijk onderbouwd. Ook zijn er biotopen waarvan we weten dat duurzaam proactief reewildbeheer nuttig en noodzakelijk is zonder dat verkeersveiligheid aan de orde is, zoals op de Waddeneilanden. Het is echter een uitdaging om dat met de strikte vereisten van het Europese uitzonderingsregime zodanig in een faunabeheerplan op te schrijven dat het zonder enige twijfel in een bezwaarprocedure standhoudt.

Nationale Wildlijst

In alle Europese landen, behalve Nederland, wordt reewild beheerd en benut onder het jachtregime. Dat heeft zover bekend nergens geleid tot ongewenste afname van het ree. In tegendeel, onder het jachtregime neemt de verspreiding van reewild in Europa zelfs toe in gebieden waar het recent niet voorkwam.  Plaatsing van het ree op de Nederlandse Nationale Wildlijst zorgt voor een veel eenvoudiger onderbouwing van de toelaatbaarheid van bejaging. De criteria daarvoor zijn namelijk dat de soort voor benutting of ter voorkoming van schade bejaagd kan worden, dat de staat van instandhouding van de soort (op nationaal niveau) niet in het geding is, en dat deze niet in het geding komt door bejaging. In Nederland is sprake van één samenhangende populatie, die bovendien langs alle landsgrenzen intensief in contact staat met de populaties in omringende landen. De staat van instandhouding van het ree in Nederland is prima en komt niet in het geding door het huidige bejagingsniveau. Het ree veroorzaakt schade én kan voor consumptie benut worden. Op deze gronden zou het ree toegevoegd kunnen worden aan de Nationale Wildlijst en kan de minister van LNV (een) jachtseizoen(en) instellen.

Faunabeheerplan

Sinds de invoering van de Wet Natuurbescherming is ook de jacht onderdeel van het faunabeheerplan. Uit Kamerstukken bij de totstandkoming van de wet blijkt dat het faunabeheerplan ten aanzien van de jacht slechts globaal van karakter mag zijn en de uitoefening van het jachtrecht niet mag belemmeren. Uit een recente uitspraak van de Raad van State blijkt overigens dat het faunabeheerplan zelf voor bezwaar vatbaar is, doordat de paragraaf jacht rechtstreeks rechtsgevolg heeft. Gezien het globale karakter van het faunabeheerplan voor jacht en de eenvoudige criteria voor het ree op de wildlijst zal een bezwaarprocedure op dit punt veel minder kansrijk zijn dan bezwaarprocedures tegen de ontheffingen voor reewildbeheer zoals we die nu kennen.

Planmatig reewildbeheer

Ingevolge de Benelux-overeenkomst voor jacht moet reewildbeheer planmatig plaatsvinden. De jachthouder moet een door of namens de overheid goedgekeurd afschotplan hebben. Dit plan behoeft niet te verschillen van de aanvraag en toebedeling van afschot zoals nu door de wildbeheereenheden plaatsvindt. Het voordeel ten opzichte van het ontheffingenregime is echter dat deze aanvraag en toebedeling niet meer vatbaar zijn voor bezwaar en beroep door activistische groepen. De rijksoverheid kan de bevoegdheid om het afschotplan reewild goed te keuren delegeren naar de provinciale overheden. Wanneer Gedeputeerde Staten het faunabeheerplan (voor reewild) goedkeuren is er sprake van een goedgekeurd afschotplan op hoofdlijnen. Het planmatige reewildbeheer zou verder gespecificeerd moeten worden in het wildbeheerplan van de WBE. Zo’n wildbeheerplan is de uitwerking van het faunabeheerplan op niveau van de wildbeheereenheid. De Jagersvereniging heeft het model voor dat wildbeheerplan voor WBE’s ontwikkeld. In de provincies Limburg en Gelderland wordt momenteel met behulp van subsidie van de provinciale overheid gewerkt aan implementatie van deze wildbeheerplannen. De provinciale overheid kan de faunabeheereenheden de opdracht kan geven te beoordelen of de wildbeheerplannen passen binnen de kaders van het faunabeheerplan.

De wildbeheereenheid is en blijft de eerstverantwoordelijke voor de coördinatie van de uitvoering van het reewildbeheer. Onder de huidige systematiek heeft de jachthouder toestemming om een bepaald aantal reeën te schieten, uitgesplitst naar leeftijdsklasse en geslacht, maar is hij dit niet verplicht. We zien dat dit momenteel leidt tot een zoektocht naar ‘sturingsinstrumenten’ voor het reewildbeheer. Wanneer het ree op de Nationale Wildlijst staat is de jachthouder wettelijk verplicht te streven naar een redelijke wildstand. Dit biedt de wildbeheereenheid een betere, wettelijke basis om de bij haar aangesloten jachthouders op hun inspanningsverplichting aan te spreken. Daar waar de wildbeheereenheid dat noodzakelijk acht, kan zij de provinciale overheid verzoeken haar een Opdracht te verstrekken, waarmee zij dwingend kan ingrijpen in werkgebieden van jachthouders die zich aan hun inspanningsverplichting onttrekken. Een WBE kan een jachthouder die zich aan zijn wettelijke inspanningsplicht ingevolge het jachtregime onttrekt, ook schorsen en uit het lidmaatschap ontzetten. Dat is onder het huidige ontheffingenregime veel moeilijker.

De faunabeheereenheid monitort op de uitkomsten van het reewildbeheer. De Jagersvereniging voorziet dat dit ook bij plaatsing van het ree op de Nationale Wildlijst het geval zal blijven. Daar waar de inspanningen van de wildbeheereenheden en hun jagers niet leiden tot gewenste resultaten, bijvoorbeeld wanneer het aantal wildaanrijdingen boven een gestelde limiet uitkomt of wanneer er teveel schade aan bosbouw, boom- en plantenkwekerij ontstaat, kan de faunabeheereenheid de provinciale overheid adviseren in te grijpen door middel van een provinciale Opdracht.

Dialoog

De Jagersvereniging nodigt u uit om samen na te denken over de verfijning van het in dit voorlopige standpu8nt beschreven planmatige duurzame reewildbeheer onder het jachtregime. Zijn er mogelijke bezwaren of oplossingsrichtingen die wij nog niet benoemd hebben, dan horen we het graag. U kunt reageren door een e-mail te sturen naar info@jagersvereniging.nl. Wanneer u als onderwerp van de mail “Planmatig reewildbeheer” kiest, kunnen wij uw reactie gemakkelijk terugvinden.